Die Verwendung des Adverbs (= bijwoord) er'
| Ik ben naar Utrecht verhuisd. | Ik woon er nu al 6 maanden. |
| Woont hij er al lang? | Ja, ongeveer vijf jaar. |
| Moeten we ons echt haasten? | Ja hoor, de tram staat er al. |
In den obenstehenden Sätzen kann er' durch hier' oder daar' ersetzt werden.
er'
als Ortsbezeichnung steht nie am Satzanfang. Hier' und daar' können jedoch am Satzanfang
stehen.
| Er lopen heel wat mensen op straat. |
| Er staan drie populieren in de tuin. |
| Staat er nog koffie in de kast? |
| Er heeft iemand een brief voor je gebracht. |
| Welke bomen staan er langs de weg? |
| Wat is er aan de hand? |
| Wie gaat er morgen met me mee? |
er'
wird nie verwendet, wenn das Subjekt spezifiziert ist:
Bsp.:
Meneer
Jansen heeft een brief voor je gebracht.
| Heb je er nog (een paar)? | Hast du (davon) noch welche? | |
| Ja, ik heb er nog drie. | Ja, ich habe noch drei davon. | J'en ai encore trois. |
| Wil je er een hebben? | Willst du eine (davon) haben? | Tu en veux un? |
| Hoeveel boeken heb je gekocht? | Drie. / Ik heb er drie gekocht. | |
| J'en ai acheté trois. |
| Ik houd niet van voetbal. | Ik houd er niet van. |
| Ik hoorde van de vergissing. | Ik hoorde ervan. |
| Ik heb al weet van deze verhalen. | Ik heb er al weet van. |
Folgt die Präposition direkt auf er', so bildet sie mit er' ein Wort:
Ik
hoorde ervan.
In längeren Sätzen werden er' und die Präposition
voneinander getrennt. Die Präposition steht dann im Satz
möglichst weit hinten.
Weet
je al iets over de beslissing van het bestuur? - Nee, ik
weet er helemaal niets van.
Die infiniten Verbformen stehen hinter der Präposition:
Ken
je dit boek? - Ik zou je er de hele avond over kunnen
vertellen.
In Nebensätzen stehen alle Verbformen hinter der Präposition:
Hij
zegt dat hij er de hele avond over kan vertellen.
Die Päpositionen met' und tot' werden in Kombination mit er' zu mee' und toe':
Wat
wil je ermee doen?
Ik wil steeds weer beginnen met joggen, maar ik kom er
nooit toe.
er'+
Präposition wird nicht verwendet, wenn auf eine Person
verwiesen wird. In diesen Fällen steht die Präposition
einfach vor dem entsprechenden Personalpronomen.
Man vergleiche:
Mijn
hond is ziek. Ik moet ermee naar de dierenarts.
Mijn dochter is ziek. Ik moet met haar naar de dokter.
Das deutsche es gibt' wird
ins Niederländische mit er is/zijn' übersetzt:
Bsp.:
| Es gibt nichts zu essen. | Er is niets te eten. |
| Es gibt keine Freiwilligen. | Er zijn geen vrijwilligers. |
| Gibt es noch Milch und Kaffee? | Is er nog melk en koffie? |
er'steht innerhalb eines Satzes nie zweimal
direkt hintereinander.
Bsp.:
| Hoeveel flessen staan er op tafel? | Er staan er vier. |
| Hoeveel foto's staan er in de krant? | Er staan er drie in. |
er' ist fester Bestandteil der folgenden
idiomatischen Wendungen:
| Je ziet er slecht uit. | Du siehst schlecht aus. |
| Hij is erin gelopen. | Er hat sich täuschen lassen. |
| Hij heeft het er goed/slecht vanaf gebracht. | Er ist gut/schlecht davongekommen. |
[zuletzt aktualisiert: 07.06.02] .......... © 1999-2002 Caasn | Post@Caasn.de