Niederländisch

Präteritum und Partizip Perfekt der unregelmäßigen Verben


Bei den unregelmäßigen Verben tritt bei der Bildung des Präteritums und des Partizip Perfekts oft eine Änderung des Stammvokals auf. Die Verben erhalten im Präteritum Singular keine Personalendung, im Plural wird -en an den Stamm gefügt.

Bei der Bildung der Pluralformen des Präteritums sind die üblichen Rechtschreibregeln zu beachten:

Bsp.:

ik reed - wij reden        ik begon - wij begonnen
hij trok - jullie trokken   zij koos - zij kozen

Liste der unregelmäßigen Verben (um die Vergangenheitsformen eines bestimmtes Wortes in Erfahrung zu bringen, bietet sich auch die woordenlijst an!):

bakken

barsten

bederven

bedriegen

beginnen

begraven

begrijpen

besluiten

bevelen

bewegen

bezoeken

bidden

bieden

bijten

binden

blazen

blijken

blijven

braden

breken

brengen

buigen

denken

doen

dragen

drijven

dringen

drinken

druipen

duiken

dwingen

ervaren

eten

fluiten

gaan

gelden

genezen

genieten

geven

gieten

glijden

graven

grijpen

hangen

hebben

helpen

heten

bakte

barstte

bedierf

bedroog

begon

begroef

begreep

besloot

beval

bewoog

bezocht

bad

bood

beet

bond

blies

bleek

bleef

braadde

brak

bracht

boog

dacht

deed

droeg

dreef

drong

dronk

droop

dook

dwong

ervoer

at

floot

ging

gold

genas

genoot

gaf

goot

gleed

groef

greep

hing

had

hielp

heette

bakten

barstten

bedierven

bedrogen

begonnen

begroeven

begrepen

besloten

bevalen

bewogen

bezochten

baden

boden

beten

bonden

bliezen

bleken

bleven

braadden

braken

brachten

bogen

dachten

deden

droegen

dreven

drongen

dronken

dropen

doken

dwongen

ervoeren

aten

floten

gingen

golden

genazen

genoten

gaven

goten

gleden

groeven

grepen

hingen

hadden

hielpen

heetten

(hebben) gebakken

(zijn) gebarsten

(zijn) bedorven

(zijn/hebben) bedrogen

(zijn) begonnen

(hebben) begraven

(hebben) begrepen

(hebben) besloten

(hebben) bevolen

(hebben) bewogen

(hebben) bezocht

(hebben) gebeden

(hebben) geboden

(hebben) gebeten

(hebben) gebonden

(hebben) geblazen

(zijn) gebleken

(zijn) gebleven

(hebben) gebraden

(hebben) gebroken

(hebben) gebracht

(hebben) gebogen

(hebben) gedacht

(hebben) gedaan

(hebben) gedragen

(hebben) gedreven

(hebben) gedrongen

(hebben) gedronken

(zijn) gedropen

(hebben/zijn) gedoken

(hebben) gedwongen

(hebben) ervaren

(hebben) gegeten

(hebben) gefloten

(zijn) gegaan

(hebben) gegolden

(hebben/zijn) genezen

(hebben) genoten

(hebben) gegeven

(hebben) gegoten

(zijn) gegleden

(hebben) gegraven

(hebben) gegrepen

(hebben) gehangen

(hebben) gehad

(hebben) geholpen

(hebben) geheten

backen

platzen

verderben

betrügen

beginnen

begraben

begreifen

beschließen

befehlen

bewegen

besuchen

beten

bieten

beißen

binden

blasen

sich erweisen

bleiben

braten

brechen

bringen

biegen

denken

tun

tragen

treiben

dringen; drängen

trinken

triefen, tropfen

tauchen

zwingen

erfahren

essen

pfeifen

gehen

gelten

genesen

genießen

geben

gießen

gleiten

graben

greifen

hängen

haben

helfen

heißen

houden

kiezen

kijken

klimmen

knijpen

komen

kopen

krijgen

krimpen

kruipen

kunnen

lachen

laden

laten

lezen

liegen

liggen

lijden

lijken

lopen

malen

melken

meten

moeten

mogen

nemen

(niet) hoeven

overlijden

raden

rijden

roepen

ruiken

scheiden

schenden

scheppen

scheren

schieten

schijnen

schrijven

schrikken

schuiven

slaan

slapen

sluipen

sluiten

smelten

smijten

hield

koos

keek

klom

kneep

kwam

kocht

kreeg

kromp

kroop

kon

lachte

laadde

liet

las

loog

lag

leed

leek

liep

maalde

molk

mat

moest

mocht

nam

hoefde

overleed

raadde

reed

riep

rook

scheidde

schond

schiep

schoor

schoot

scheen

schreef

schrok

schoof

sloeg

sliep

sloop

sloot

smolt

smeet

hielden

kozen

keken

klommen

knepen

kwamen

kochten

kregen

krompen

kropen

konden

lachten

laadden

lieten

lazen

logen

lagen

leden

leken

liepen

maalden

molken

maten

moesten

mochten

namen

hoefden

overleden

raadden

reden

riepen

roken

scheidden

schonden

schiepen

schoren

schoten

schenen

schreven

schrokken

schoven

sloegen

sliepen

slopen

sloten

smolten

smeten

(hebben) gehouden

(hebben) gekozen

(hebben) gekeken

(zijn/hebben) geklommen

(hebben) geknepen

(zijn) gekomen

(hebben) gekocht

(hebben) gekregen

(zijn) gekrompen

(zijn) gekropen

(hebben) gekund

(hebben) gelachen

(hebben) geladen

(hebben) gelaten

(hebben) gelezen

(hebben) gelogen

(hebben) gelegen

(hebben) geleden

(hebben) geleken

(hebben/zijn) gelopen

(hebben) gemalen

(hebben) gemolken

(hebben) gemeten

(hebben) gemoeten

(hebben) gemogen

(hebben) genomen

(hebben) gehoeven

(zijn) overleden

(hebben) geraden

(hebben/zijn) gereden

(hebben) geroepen

(hebben) geroken

(hebben) gescheiden

(hebben) geschonden

(hebben) geschapen

(hebben) geschoren

(hebben) geschoten

---

(hebben) geschreven

(zijn) geschrokken

(hebben) geschoven

(hebben) geslagen

(hebben) geslapen

(hebben/zijn) geslopen

(hebben) gesloten

(hebben) gesmolten

(hebben) gesmeten

halten

wählen

schauen, blicken

klettern

kneifen, zwicken

kommen

kaufen

bekommen, kriegen

schrumpfen

kriechen

können

lachen

laden

lassen

lesen

lügen

liegen

leiden

scheinen, ähnlich sehen

gehen

mahlen

melken

messen

müssen, sollen

dürfen

nehmen

nicht brauchen

sterben

raten

fahren, reiten

rufen

riechen

trennen

schänden

schaufeln; schöpfen

rasieren

schießen

scheinen

schreiben

erschrecken

schieben

schlagen

schlafen

schleichen

schließen

schmelzen

schmeißen

snijden

snuiten

snuiven

spijten

spreken

springen

staan

steken

stelen

sterven

stijgen

stinken

stoten

strijken

treffen

trekken

vallen

vangen

varen

vechten

verbergen

verbieden

verdwijnen

vergelijken

vergeten

verlaten

verliezen

verslinden

verstaan

vertrekken

verwerven

verzinnen

vinden

vliegen

vouwen

vragen

vreten

vriezen

wassen

wegen

sneed

snoot

snoof

speet

sprak

sprong

stond

stak

stal

stierf

steeg

stonk

stootte

streek

trof

trok

viel

ving

voer

vocht

verborg

verbood

verdween

vergeleek

vergat

verliet

verloor

verslond

verstond

vertrok

verwierf

verzon

vond

vloog

vouwde

vroeg

vrat

vroor

waste

woog

sneden

snoten

snoven

---

spraken

sprongen

stonden

staken

stalen

stierven

stegen

stonken

stootten

streken

troffen

trokken

vielen

vingen

voeren

vochten

verborgen

verboden

verdwenen

vergeleken

vergaten

verlieten

verloren

verslonden

verstonden

vertrokken

verwierven

verzonnen

vonden

vlogen

vouwden

vroegen

vraten

vroren

wasten

wogen

(hebben) gesneden

(hebben) gesnoten

(hebben) gesnoven

(hebben) gespeten

(hebben) gesproken

(zijn) gesprongen

(hebben) gestaan

(hebben) gestoken

(hebben) gestolen

(zijn) gestorven

(zijn) gestegen

(hebben) gestonken

(hebben) gestoten

(hebben) gestreken

(hebben) getroffen

(hebben/zijn) getrokken

(zijn) gevallen

(hebben) gevangen

(zijn/hebben)gevaren

(hebben) gevochten

(hebben) verborgen

(hebben) verboden

(zijn) verdwenen

(hebben) vergeleken

(zijn/hebben) vergeten

(hebben) verlaten

(hebben) verloren

(hebben) verslonden

(hebben) verstaan

(zijn) vertrokken

(hebben) verworven

(hebben) verzonnen

(hebben) gevonden

(hebben/zijn) gevlogen

(hebben) gevouwen

(hebben) gevraagd

(hebben) gevreten

(hebben) gevroren

(hebben) gewassen

(hebben) gewogen

schneiden

sich die Nase putzen

schnaufen

bedauern

sprechen

springen

stehen

stechen

stehlen

sterben

steigen

stinken

stoßen

bügeln, streichen

treffen/begegnen

ziehen

fallen

fangen

m.d. Boot fahren

kämpfen

verbergen

verbieten

verschwinden

vergleichen

vergessen

verlassen

verlieren

verschlingen

verstehen

weggehen, abfahren

erwerben

sich ausdenken

finden

fliegen

falten

fragen

fressen

frieren

waschen

wiegen

werpen

weten

weven

wijken

wijzen

winden

winnen

worden

wrijven

wringen

zeggen

zien

zijn

zingen

zinken

zitten

zoeken

zuigen

zuipen

zullen

zwemmen

zwijgen

wierp

wist

weefde

week

wees

wond

won

werd

wreef

wrong

zei

zag

was

zong

zonk

zat

zocht

zoog

zoop

zou

zwom

zweeg

wierpen

wisten

weefden

weken

wezen

wonden

wonnen

werden

wreven

wrongen

zeiden

zagen

waren

zongen

zonken

zaten

zochten

zogen

zopen

zouden

zwommen

zwegen

(hebben) geworpen

(hebben) geweten

(hebben) geweven

(zijn) geweken

(hebben) gewezen

(hebben) gewonden

(hebben) gewonnen

(zijn) geworden

(hebben) gewreven

(hebben) gewrongen

(hebben) gezegd

(hebben) gezien

(zijn) geweest

(hebben) gezongen

(zijn) gezonken

(hebben) gezeten

(hebben) gezocht

(hebben) gezogen

(hebben) gezopen

-

(hebben/zijn) gezwommen

(hebben) gezwegen

werfen

wissen

weben

weichen

zeigen

winden

gewinnen

werden

reiben

wringen

sagen

sehen

sein

singen

sinken

sitzen

suchen

saugen

saufen

werden (Futur) sollen

schwimmen

schweigen

 

[zuletzt aktualisiert: 07.06.02] .......... © 1999-2002 Caasn | Post@Caasn.de