Die Präsensbildung der Modalverben (= modale werkwoorden)
mogen willen zullen kunnen moeten ik mag wil zal kan moet jij mag wil/wilt zal/zult kan/kunt moet hij, zij, het mag wil zal kan moet wij mogen willen zullen kunnen moeten jullie mogen willen zullen kunnen moeten zij mogen willen zullen kunnen moeten u mag wilt zult kunt moet
[zuletzt aktualisiert: 07.06.02] .......... © 1999-2002 Caasn | Post@Caasn.de